Kansen door de Omgevingswet

Een allesomvattende wet

Wellicht heb je er al eens van gehoord: het is de bedoeling dat over een aantal jaren de Omgevingswet wordt ingevoerd. Deze wet moet in de plaats komen van een heleboel bestaande wetgeving. Het idee is dat je voor een zogenaamde fysieke ontwikkeling, zoals de bouw van een woning of een fabriek, straks nog maar bij een loket langs hoeft. En maar 1 vergunning nodig hebt.

Dat is een mooie gedachte. Voor de aanvrager scheelt het een hele boel bureaucratie. En een gemeente wordt gedwongen een aanvraag in 1 keer integraal te bekijken. Nu kan het gebeuren dat iets mag vanuit het bestemmingsplan, er ook een bouwvergunning wordt afgegeven, maar dat de milieuvergunning die ook nodig blijkt te zijn er niet komt.

Of dat in de praktijk gaat werken, is afwachten. Voor een deel ligt dat eraan hoe de uiteindelijke wet eruit gaat zien. Het is echter duidelijk, dat dat vooral afhankelijk is van hoe een gemeente met de wet omgaat! De invoering van de wet heeft heel veel voeten in de aarde, en is een ingrijpende operatie.

Houding en gedrag

En: 20% van de verandering is techniek (hoe voegen we wetgeving samen), maar liefst 80% is houding en gedrag.

Met andere woorden: of de inwoners van onze gemeente werkelijk voordelen gaan ervaren van deze wet, hebben we binnen de gemeente volledig in eigen hand.

Er zijn drie onderdelen hiervan die ik er uit wil lichten.

Eenvoudige en snellere procedures

Een gemeente kan deze doelstelling alleen halen, als ze haar werkwijze helemaal opnieuw opzet. Op dit moment zijn bij de verschillende vergunningen allemaal andere medewerkers betrokken. Medewerkers die voor een deel ook nog eens op andere afdelingen zitten. Vaak kijken zij nu los van elkaar naar de aanvragen. Een procedure zal straks alleen sneller zijn, als deze ambtenaren tegelijkertijd en in onderling overleg naar een aanvraag kijken.

Van toetsing aan regels naar toetsing aan doelen

Ambtenaren toetsen plannen aan regels. Dat lijkt logisch. Tegelijkertijd heeft dat ook een keerzijde: de roep om ‘maatwerk’ is niet voor niets zo groot. Daarom benaderen we in onze gemeente aanvragen ook zo veel mogelijk vanuit het “ja, mits” principe. Met andere woorden: we willen zoveel mogelijk aanvragen goedkeuren, als we tenminste een manier vinden om het in te passen in de regels. Die benadering is positief, maar kent wel twee nadelen:
De beoordeling vindt nog steeds plaats vanuit regels, en dit kan leiden tot willekeur.

Ik vind het eerste zo’n groot nadeel, omdat regels een middel zijn en geen doel. En zolang we kijken hoe we iets binnen de regels mogelijk kunnen maken (dus: hoe kunnen we de regels zo uitleggen dat iets mogelijk is), dan voeden we onbewust de tendens naar juridisering die we zien in onze maatschappij. Daarmee bedoel ik dat we als maatschappij steeds vaker besluiten aanvechten bij de rechter: die moet daarmee een oordeel vellen over de interpretatie van de regels die gemaakt is.

Wat we anders zouden kunnen doen is om altijd helder te omschrijven welke doelen we nastreven. Bijvoorbeeld: een gebouw moet veilig zijn. Dat is het doel. Daaronder staan de regels. Feitelijk zijn dat richtlijnen, om inzichtelijk te maken waar je bij veiligheid zoal aan moet denken. Die regels zijn nadrukkelijk een middel om het doel (in dit geval veiligheid) mogelijk te maken.

…altijd blijven nadenken

Dus: er kan afgeweken worden van de regels als daarmee de veiligheid niet in gevaar komt. Maar ook: het kan zijn dat een aanvrager meer moet doen dan wat in de regels staat om te zorgen dat iets veilig is. Altijd blijven nadenken! En je nooit verschuilen achter regels….
Bij alle regels zal daarom ook apart moeten worden vermeld dat ze bedoeld zijn als richtlijn, als middel, en dat ze ondergeschikt zijn aan het doel.

….. en voorkom willekeur

Zodra we eraan gewend raken om te redeneren vanuit de doelen in plaats van uit de regels, is het risico op willekeur ook vele malen kleiner. Het gaat er niet om of je op een creatieve manier de regels kunt toepassen, maar of je goed kunt motiveren waarom er wel of niet aan de beleidsdoelen wordt voldaan.

Van recht op inspraak naar afweging van belangen

De eerste twee punten gingen vooral over hoe we met regels om kunnen gaan. De derde kans is zo mogelijk nog ingrijpender: die gaat over hoe we met elkaar omgaan. Op dit moment zit een bestemmingsplan zo in elkaar, dat daarin is geregeld waar we recht op hebben. Dat recht is afdwingbaar: je kunt naar de rechter om te eisen op straffe van een boete dat iets gebeurt. Hetzelfde geldt voor een nieuwe ontwikkeling: belanghebbenden (meestal de omwonenden) hebben het recht om bezwaar aan te tekenen. En dat gebeurt veelvuldig.

Los van de maatschappelijke kosten die dat oplevert (vertraging + kosten van ons rechtssysteem) gaat dat veel te veel over het achteraf repareren wat aan de voorkant al dan niet fout is gegaan. En: de gemeente wordt vroeg in het proces gedwongen “partij te kiezen”. Immers: op het moment dat een aanvraag in behandeling wordt genomen en een procedure in gang wordt gezet, is impliciet de conclusie “de gemeente is voor”. En in de belevingswereld van onze inwoners staan ambtenaren en college daarmee tegenover omwonenden, en aan de kant van de indiener.

Er gaat dus veel tijd, geld en energie zitten aan de achterkant van het proces. En een uitspraak van de rechter levert per definitie winnaars en verliezers op: de ene partij krijgt gelijk, de andere ongelijk. Het huidige proces werkt tegenstellingen in de hand. En dat, zonder dat er daarmee een betere oplossing komt!

Van achterkant naar voorkant

Wat er anders kan, wat er anders moet, is dat de energie aan de voorkant van het proces gaat zitten. Iedereen die een plan heeft, moet zich ervan bewust zijn dat zijn of haar plan invloed heeft op de omgeving. Een omgeving waar we allemaal, samen, verantwoordelijk voor zijn.

Iemand met een plan zal daarom in gesprek moeten met zijn omgeving: “Als ik dit van plan ben, wat betekent dat dan voor jou? Is er sprake van mogelijke geluidsoverlast? Geur? Zijn er gezondheidsrisico’s?”.
Het is de rol van de gemeente om dit proces te begeleiden. Ambtenaren kunnen vanuit hun kennis van wet en regelgeving, met de initiatiefnemer bepalen met wie het gesprek moet worden gevoerd.

Doel van dit deel van het proces is het samen bepalen wat een ieders belangen zijn. Waar mogelijk past de initiatiefnemer, vanuit begrip voor de belangen van omwonenden, zijn plan aan. Dat kan vast niet op alle onderdelen: 100% draagvlak wordt niet verwacht. Aan draagvlak valt namelijk geen percentage te koppelen!

Nogmaals: het doel is om waar mogelijk aan belangen van omwonenden tegemoet te komen. Wat overblijft, zijn de belangen waarover geen overeenstemming bereikt kan worden. Zoals dat zo mooi heet “we agree to disagree”: je weet over en weer waar je het niet over eens bent.
En dat gaat dus niet over: “60% van de omwonenden is voor, dus het plan moet er komen”.

Andere rol van de gemeenteraad

Dan is het de beurt aan de gemeenteraad. De gemeenteraad is er om de belangen te wegen, en de knoop door te hakken. En voor die weging van belangen is geen vaste formule, dat is geen rekensom! Iedere partij, wellicht ieder gemeenteraadslid, weegt de belangen anders, vanuit de standpunten van de partij en haar individuele achtergrond. In dat proces wordt meegenomen aan welke belangen al is tegemoet gekomen (met als uitkomst een beter plan!).

De raad krijgt daarmee ook een veel zuiverder rol. Op dit moment gaat het nog te vaak over “die partij is niet gehoord” of “is het geen beter idee om dit plan op een andere plek te realiseren”. Dat zijn oeverloze discussies, die afleiden waar het om gaat: een open, transparante afweging van belangen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *